Babaji en Cleopatra – De tinteling – hoofdstuk 2

Langzaam en liefdevol beweegt hij in haar. Haar ogen zijn nog steeds dichtgeplakt door de ontsteking die maar niet over wil gaan. Of misschien wil ze gewoon haar ogen niet openen uit angst om de werkelijkheid te ontmoeten? Babaji omringt haar dagelijks met al zijn zorgen. Hij voedt haar met alles wat hij heeft te delen. Soms is het een kop soep, getrokken van de kool uit zijn tuin. Dan weer is het een hand vol rijst. Soms is ze dankbaar dat ze nog leeft. Maar waarvoor eigenlijk? Wat heeft het leven haar nog te bieden? Zij, een gevallen vrouw. Een meisje nog dat nog vrouw had moeten worden.

Het is alsof haar lichaam een eigen wil heeft. Babaji’s zachte aanrakingen zijn helend voor haar wonden. Hij streelt haar net zo lang tot ze verzacht, of ze wil of niet. Het lijkt alsof tijd niet meer bestaat als Babaji haar lichaam begint aan te raken. Als hij van huis is, ligt ze maar te piekeren. Dan verlangt ze er naar tot het weer zo ver is dat Babaji haar aanraakt. De pijn van het verzorgen van de wonden, staat in het niets vergeleken met de pijn die ze voelde toen de soldaten met haar bezig waren. Ze moet het vergeten. Ze wil het vergeten. De pijn lijdt haar af van de innerlijke pijn. En als zijn aanrakingen overgaan van zorgen voor naar liefhebben, dan kan ze niet anders dan ontspannen.

Ze weet dat hij in haar is. Daar, in haar geheime ruimte. Daar waar niemand nog had mogen komen. Ze voelt er niets van. Wat kan het haar nog schelen? Er is niets meer te verliezen. Geen man die haar nog wil. Babaji wil haar. Hij is in haar. Hij fluistert lieve dingen in haar oren. Hij zegt haar hoe zacht ze is en dat hij haar nieuwe herinneringen wil geven voordat ze een keuze maakt. De keuze om te sterven of om te leven. Eerst moeten haar wonden geheeld zijn. Dan pas mag ze kiezen.

Soms maakt dat haar boos. Dan wil ze bewegen met haar onderlichaam om hem van zich af te werpen. Laat me nu kiezen, laat me met rust! Laat me sterven! Maar het is alsof hij geen tegenstand duldt. Diep ergens in haar weet ze dat deze man het goed met haar voor heeft. Ze kan het niet verklaren. Hoe moet ze het uitleggen? Ze voelt het als ze met haar vingertoppen de rimpels van zijn hoofd volgt om zo een voorstelling te kunnen maken van hoe hij er uit ziet. Ze voelt het als ze door de zachte krulletjes van zijn kroeshaar woelt. Ze voelt het als ze zijn zachte huid voelt en ze zijn krachtige energie door haar heen voelt stromen. Alsof het zijn energie is die haar het gevoel geeft dat ze het waard is om te leven. Om te blijven leven.

Ze knijpt haar ogen dicht. Wie is deze man? Wat wil hij van haar? Waarom doet hij al die moeite? Nog steeds beweegt hij in haar. Zijn lichaam verwarmt het hare. Zijn energie glijdt moeiteloos over in de hare. Haar ademhaling versnelt. ‘Adem naar je hart, Cleopatra, vergeet je hart niet. Het klopt voor jou. Het klopt uit liefde voor jou.’ Ze kan het maar niet geloven maar het klinkt mooi, besluit ze terwijl ze opvolgt wat hij zegt. Zo heeft ze het geleerd. Je luistert naar de man die ouder is dan jij.

Steeds opnieuw laat hij haar voelen dat ze leeft. Die energie! Soms is het zo intens dat ze er bang van wordt. ‘Haal het maar omhoog, breng de energie maar naar je hart, lieverd’, fluistert hij als ze uitspreekt wat ze voelt. Want ook dat heeft hij haar al geleerd. Ze had nooit gedacht dat ze zoveel contrasterende gevoelens zou kunnen ervaren. ‘Ik wil dat je alles hebt ervaren voordat je kiest. Je hebt er recht op om te weten dat er ook nog iets anders is dan zoals ik je gevonden heb.’ Babaji is een aparte man. Misschien is het wel geen mens. Misschien is ze wel in een andere wereld aangekomen en leeft ze niet meer echt. Ze kan haar ogen beter gesloten houden.

Dan ineens is het daar. Ze kan het niet geloven. Is het echt waar? ‘Babaji, wat gebeurt er?’ vraagt ze hijgend en buiten adem. Ze beweegt haar hoofd en schudt het heen en weer. Haar vingertoppen strekken zich, alsof de energie in haar zich niet wil laten stoppen en een eigen leven leidt. Daar is het weer. De tinteling. Haar grote teen. ‘Babaji, ik geloof dat ik mijn teen voel, kan dat?’  
‘Natuurlijk kan dat lieverd. Seks is helend. Dat is wat ik je wil laten ervaren. Nog even en dan kun je je benen weer bewegen.’
Hij antwoordt haar met een vanzelfsprekendheid die haar irriteert.
‘Ga van me af. Ga van me af!’ schreeuwt ze. ‘Je wilt alleen maar seks. Je bent al net zo erg als al die soldaten.’

Hij stopt onmiddellijk en glijdt uit haar.

‘Zoals je wilt.’

Dan is ze weer alleen. De temperatuur van de lucht voelt ijskoud vergeleken met de warmte van zijn huid. Ze negeert de traan die over haar wang glijdt en draait haar hoofd opzij.
Was ze maar dood.

Laat wat van je horen

*