Archief voor februari 2015

Babaji en Cleopatra – De tinteling – hoofdstuk 2

Langzaam en liefdevol beweegt hij in haar. Haar ogen zijn nog steeds dichtgeplakt door de ontsteking die maar niet over wil gaan. Of misschien wil ze gewoon haar ogen niet openen uit angst om de werkelijkheid te ontmoeten? Babaji omringt haar dagelijks met al zijn zorgen. Hij voedt haar met alles wat hij heeft te delen. Soms is het een kop soep, getrokken van de kool uit zijn tuin. Dan weer is het een hand vol rijst. Soms is ze dankbaar dat ze nog leeft. Maar waarvoor eigenlijk? Wat heeft het leven haar nog te bieden? Zij, een gevallen vrouw. Een meisje nog dat nog vrouw had moeten worden.

Het is alsof haar lichaam een eigen wil heeft. Babaji’s zachte aanrakingen zijn helend voor haar wonden. Hij streelt haar net zo lang tot ze verzacht, of ze wil of niet. Het lijkt alsof tijd niet meer bestaat als Babaji haar lichaam begint aan te raken. Als hij van huis is, ligt ze maar te piekeren. Dan verlangt ze er naar tot het weer zo ver is dat Babaji haar aanraakt. De pijn van het verzorgen van de wonden, staat in het niets vergeleken met de pijn die ze voelde toen de soldaten met haar bezig waren. Ze moet het vergeten. Ze wil het vergeten. De pijn lijdt haar af van de innerlijke pijn. En als zijn aanrakingen overgaan van zorgen voor naar liefhebben, dan kan ze niet anders dan ontspannen.

Ze weet dat hij in haar is. Daar, in haar geheime ruimte. Daar waar niemand nog had mogen komen. Ze voelt er niets van. Wat kan het haar nog schelen? Er is niets meer te verliezen. Geen man die haar nog wil. Babaji wil haar. Hij is in haar. Hij fluistert lieve dingen in haar oren. Hij zegt haar hoe zacht ze is en dat hij haar nieuwe herinneringen wil geven voordat ze een keuze maakt. De keuze om te sterven of om te leven. Eerst moeten haar wonden geheeld zijn. Dan pas mag ze kiezen.

Soms maakt dat haar boos. Dan wil ze bewegen met haar onderlichaam om hem van zich af te werpen. Laat me nu kiezen, laat me met rust! Laat me sterven! Maar het is alsof hij geen tegenstand duldt. Diep ergens in haar weet ze dat deze man het goed met haar voor heeft. Ze kan het niet verklaren. Hoe moet ze het uitleggen? Ze voelt het als ze met haar vingertoppen de rimpels van zijn hoofd volgt om zo een voorstelling te kunnen maken van hoe hij er uit ziet. Ze voelt het als ze door de zachte krulletjes van zijn kroeshaar woelt. Ze voelt het als ze zijn zachte huid voelt en ze zijn krachtige energie door haar heen voelt stromen. Alsof het zijn energie is die haar het gevoel geeft dat ze het waard is om te leven. Om te blijven leven.

Ze knijpt haar ogen dicht. Wie is deze man? Wat wil hij van haar? Waarom doet hij al die moeite? Nog steeds beweegt hij in haar. Zijn lichaam verwarmt het hare. Zijn energie glijdt moeiteloos over in de hare. Haar ademhaling versnelt. ‘Adem naar je hart, Cleopatra, vergeet je hart niet. Het klopt voor jou. Het klopt uit liefde voor jou.’ Ze kan het maar niet geloven maar het klinkt mooi, besluit ze terwijl ze opvolgt wat hij zegt. Zo heeft ze het geleerd. Je luistert naar de man die ouder is dan jij.

Steeds opnieuw laat hij haar voelen dat ze leeft. Die energie! Soms is het zo intens dat ze er bang van wordt. ‘Haal het maar omhoog, breng de energie maar naar je hart, lieverd’, fluistert hij als ze uitspreekt wat ze voelt. Want ook dat heeft hij haar al geleerd. Ze had nooit gedacht dat ze zoveel contrasterende gevoelens zou kunnen ervaren. ‘Ik wil dat je alles hebt ervaren voordat je kiest. Je hebt er recht op om te weten dat er ook nog iets anders is dan zoals ik je gevonden heb.’ Babaji is een aparte man. Misschien is het wel geen mens. Misschien is ze wel in een andere wereld aangekomen en leeft ze niet meer echt. Ze kan haar ogen beter gesloten houden.

Dan ineens is het daar. Ze kan het niet geloven. Is het echt waar? ‘Babaji, wat gebeurt er?’ vraagt ze hijgend en buiten adem. Ze beweegt haar hoofd en schudt het heen en weer. Haar vingertoppen strekken zich, alsof de energie in haar zich niet wil laten stoppen en een eigen leven leidt. Daar is het weer. De tinteling. Haar grote teen. ‘Babaji, ik geloof dat ik mijn teen voel, kan dat?’  
‘Natuurlijk kan dat lieverd. Seks is helend. Dat is wat ik je wil laten ervaren. Nog even en dan kun je je benen weer bewegen.’
Hij antwoordt haar met een vanzelfsprekendheid die haar irriteert.
‘Ga van me af. Ga van me af!’ schreeuwt ze. ‘Je wilt alleen maar seks. Je bent al net zo erg als al die soldaten.’

Hij stopt onmiddellijk en glijdt uit haar.

‘Zoals je wilt.’

Dan is ze weer alleen. De temperatuur van de lucht voelt ijskoud vergeleken met de warmte van zijn huid. Ze negeert de traan die over haar wang glijdt en draait haar hoofd opzij.
Was ze maar dood.

Twee vorige levens – Afscheid van een vriend

Het vliegtuig is een plek waarop er vaak spirituele boodschappen doorkomen. Zo ook deze reis naar Hawaii. Afgelopen week beëindigde een vriend na jaren onze vriendschap. Ik had hem na al die jaren eindelijk feedback durven gegeven op zijn gedrag omdat ik zie dat het mensen om hem heen wegjaagt en ik me daar al jaren zorgen om maak. Nooit voelde ik de ruimte om mijn waarheid te spreken. Nu heb ik mijn angst overwonnen en heb ik het gedaan. Maar zijn reflectie op de boodschap was blijkbaar de druppel om iets wat al jaren speelde te beëindigen. Zelf kijk ik er heel anders tegenaan. Hij blijft in mijn hart ook al heeft hij besloten dat het wat hem betreft voorbij is en kunnen we op dit moment niets voor elkaar betekenen.

Afscheid van een leven vol frustratie

In het vliegtuig kwamen er twee vorige levens met hem voorbij. Vorige levens waarbij macht, geweld, onmacht en frustratie een grote rol speelden. Een paar weken geleden, had ik al gezien dat wij ooit twee tweelingbroertjes waren, in de baarmoeder van onze moeder. Toen al kwam de aankondiging dat er iets tussen ons zou veranderen. Nu zag ik dat we in dat leven allebei volwassen mannen waren. Hij was als eerste geboren en ook de slimste, de wijste en degene met het meeste talent. Alles wat ik deed stak in het niets af bij wat hij deed. Hij was de slimmere, snellere broer die altijd alles beter wist. Hij moest altijd het laatste woord hebben. Hoe zeer ik hem ook hielp, op welke ideeën ik ook kwam, nooit was het goed genoeg.
Als de erfenis na vele jaren eindelijk bekend gemaakt wordt en hij alles erft omdat onze moeder hem natuurlijk ook de liefste, de wijste en de leukste vond, is m’n frustratie tot op het hoogtepunt gekomen. Met een klap splijt ik met een bijl zijn kop in tweeën. Zo. Dat zal hem leren. Het kan niet waar zijn dat hij alles krijgt en ik niks. Het kan me niet schelen dat ik daarna de gevangenis in moet. Welnee, ik geef me vrijwillig over en zit mijn straf zonder mokken uit. Dit was de beste daad die ik ooit ik dit leven gedaan heb. Ik voel me in een klap bevrijd van al mijn frustratie. Daarom ben ik op aarde gekomen, om dat te ervaren! Ik sterf een zachte dood in de gevangenis. Ik krijg binnen een paar dagen een hartstilstand en dat was het. Einde verhaal. Einde leven. Een grote climax. Mijn borstkast trilt als een gek het einde van dit leven voorbij komt. Al die oude energie mag uit mijn lichaam.
Is er nog iets dat ik moet zien? Laat het me zien als het nuttig is; laat het me niet zien als het er niet toe doet. Dat is mijn boodschap aan mijn gidsen. Ik geef me over.

Het leven van Aladin en Vesuvio

Dan verschijnt het volgende leven. Ik ben een machtige man. Mijn naam is Aladin. Ik zit in een herenkamer in een grote leren fauteuil. Mijn hoofd is wit geschminkt, met een neus van een boze wolf. Mijn neus krult helemaal in elkaar en het voelt aan als een enorme arrogantie. Het is zo gegrimd, zodat niemand me zal herkennen. Ik ben de machtige man. Ik heb geen linker arm meer maar mijn rechter arm is daarentegen enorm ontwikkeld. Ik speel met kaarten en kan ze met een hand schudden. De mannen aan tafel tegenover mij die met me spelen hebben ontzag voor mij. De jonge mannen die voor het eerst met hun vaders naar deze gokavond meekomen kijken vol bewondering hun ogen uit. Wat ben ik snel en handig met die ene arm en hand! Ik leun lui achterover en ik ben alle spelletjes beu. Het wordt tijd dat het volk een grote les leert.

harnasIk laat mijn broer roepen. Mijn broer Vesuvio is zeven jaar ouder dan ik. Hij loopt altijd in een soldatenharnas, sinds hij op zijn veertiende naar het front werd gestuurd. Tot ieders verbazing heeft hij de strijd overleefd. Niemand had het verwacht dat hij vier jaar later levend uit de strijd terug zou komen. Vesuvio weigert echter zijn harnas af te doen. Tegen iedereen roept hij vol trots dat zijn harnas zijn redding is geweest. Als hij dat niet gedragen had, had hij de oorlog nooit overwonnen. En weet je wel hoe heftig die strijd was? Vol trots vertelt hij tegen iedereen hoe hij gevochten heeft in de strijd. Zijn verhalen zijn weergaloos groot en iedere keer dikt hij ze een beetje aan. Zo wordt de oorlog van het verleden een periode van trots en magie.
De mensen laten hem altijd maar een beetje praten. Ze kennen zijn verhalen inmiddels uit hun hoofd. Als ze hem vragen of hij niet lekker mee wil doen, buiten spelen of zo, dan komt hij altijd met hetzelfde verhaal. ‘Nee, je weet nooit welke gek er buiten rond loopt. Kijk maar naar mijn broer, die heeft geen arm meer. Een of andere idioot heeft hem er zo maar afgehakt toen hij klein was. Dat zal mij nooit gebeuren. De wereld is verdorven en je kunt jezelf beter beschermen.’ Het enige dat hij zichzelf toestaat is om soms zijn helm af te zetten. Want natuurlijk zweet hij zich een ongeluk in dat harnas maar dat bekent hij natuurlijk aan niemand. Hij sterft nog liever zeven doden tegelijk. Zijn harnas is zijn imago. Hij is er mee vergroeid. Dat is het laatste dat hij af zet.
Na veertig jaar besluit de jongere machtige en rijke broer Aladin, de man met een arm, dat het genoeg is. Het wordt tijd dat zijn broer de waarheid leert kennen, zodat hij net als ieder ander mens kan genieten van de zon, het leven en van elkaar. Van zachtheid, bewegen en van plezier. Na het zoveelste potje kaarten dat hij gewonnen heeft, vraagt hij een van de jongelingen of ze Vesuvio willen halen. Er zijn niet zoveel mensen in de grote herenzaal. Aladin besluit dat voor een eerste treffen, een klein publiek genoeg is. Veertien mensen staan om hen heen als hij Vesuvio zijn grote zwaard geeft. Zelf heeft hij nooit gevochten en zijn zwaard van goud is nooit gebruikt. Hij heeft nooit hoeven strijden in de oorlog, hij was te klein.
Hij overhandigt Vesuvio zijn gouden zwaard. ‘Snij mijn rechter arm er af’, gebiedt hij.
Hij houdt zijn arm gestrekt zodat Vesuvio hem er in een klap af kan hakken.
Zijn broer kijkt hem met grote ogen aan, zijn ogen worden als schoteltjes zo groot en zijn mond valt open.
Wat zeg je?’
‘Hak mijn rechter arm er af’
‘Je bent gek geworden’ zegt Vesuvio. ‘Je arm is je leven. Het is de enige arm die je nog hebt. Waarom zou ik die er af hakken? Kijk eens wat je er allemaal mee kunt! Je bent hartstikke rijk geworden met kaarten en met alle trucjes die je er mee uithaalt. Je oogst er zoveel bewondering mee. Waarom zou ik die er af snijden?’
‘Ach, die kaarten, dat zijn toch allemaal spelletjes, daar gaat het toch niet om in het leven. En ik heb genoeg verdiend voor de rest van mijn leven. Ik ben een machtig man met een groot koninkrijk. Voor het geld en het aanzien hoef ik het niet meer te doen. En ik ben rijk genoeg om alle hulp te krijgen die ik nodig heb. Ik kan iedereen betalen om mij aan te raken, te wassen, mij eten te geven. Kijk eens hoeveel onderdanen ik heb. Ik heb die arm echt niet meer nodig. Dus kom. Hak hem er af. Jij bent de enige die het kan. Je hebt zoveel mannen gedood in de strijd, dan moet een armpje meer of minder jou toch niets uitmaken?
‘Maar je bent mijn broer, Aladin, ik ga mijn broer toch niet verminken?’
‘Waarom niet? Je bent tot in hart en nieren een strijder. Je bent de enige die ik ken die na zoveel jaren nog steeds met een harnas rondloopt. De oorlog is al jaren voorbij en jij loopt nog steeds rond alsof het oorlog is. Nou, ik denk laat ik je helpen. Je hebt veertien getuigen hier. Je kunt nu eindelijk laten zien aan de mensen waar jij zo goed in bent en met hoeveel gemak jij tegenstanders hebt gedood. Dan moet die arm van mij toch peanuts zijn. Kom, hak hem er af!’ daagt hij hem uit.
Vesuvio gaat steeds harder zweten onder zijn harnas. Zijn eigen broer! Hoe kan hij dit maken! En zoveel mensen heeft hij nu ook weer niet vermoord. Hij maakte de verhalen altijd groter dan ze waren omdat hij daarmee de aandacht en bewondering oogstte van de mensen. Dan glom hij van trots onder zijn harnas.
‘Ik weet niet of ik het kan’ stottert hij.
‘Oke. Misschien heb je wat meer publiek nodig om je aan te moedigen. Ik kan zelf ook wel wat aanmoediging gebruiken want ja, het wordt hoe dan ook een ander leven voor mij als ik geen armen meer heb. Zaterdagavond om 21:00 op het dorpsplein. Ik zal het publiek vragen om te komen kijken. Dan kunnen we op zondag samen feest vieren.’
Vesuvio is inmiddels lijkbleek geworden onder zijn harnas.
‘Je bent gek geworden.’
‘Geen tegenspraak Vesuvio, ik zie je zaterdagavond. Dit is mijn wens voor mijn vijftigste verjaardag. Heb eerbied voor je broer en vervul hem zijn diepste wens.’
Vesuvio knikt zwijgend.
Een week later is het zo ver. Van heinde en verre is het volk naar de stad gekomen om naar deze bijzondere gebeurtenis te komen. Iedereen wil getuige zijn van het bijzondere verzoek van Aladin. Hij is een gerespecteerd burger en iedereen kijkt tegen hem op. De mensen kunnen niet geloven wat er gaat gebeuren. Zou het echt waar zijn?
Op het grote podium staat Aladin klaar. Veertien sterke mannen staan om hen heen. Opnieuw overhandigt hij Vesuvio het zwaard. Hij strekt zijn arm.
‘Kijk me aan als je het doet. Ik wil dat je me aankijkt als de klap komt. Dan is het minder pijnlijk. Doe het, Vesuvio, doe het. Doe het nu.’
Het is muisstil op het grote plein. De spanning wordt alleen maar groter en groter. Aladin kijkt Vesuvio onbevreesd aan. Liefdevol zelfs.
Vesuvio pakt het gouden zwaard. Hij heft het op, kijkt Aladin in zijn ogen en dan ineens begint zijn borstkast als een idioot te beven. Zijn lichaam botst tegen het harnas. Zijn arm trilt. Het zwaard trilt.
‘Stop met trillen, Vesuvio, je bent toch niet bang zeker? Je hebt toch wel voor hetere vuren gestaan? Kom op. Verman je. Je kunt het’, moedigt Aladin hem aan.
Nu begint zijn lichaam nog harder te trillen. Zelfs zijn benen beven. Het metaal van zijn harnas gaat zo tekeer dat de mensen beginnen te fluisteren.
Tranen springen Vesuvio in de ogen.
Dan houdt het trillen op. Heel langzaam laat hij het zwaard weer zakken.
‘Ik kan het niet’, fluistert hij. ‘Ik kan het niet. Ik hou van je, Aladin.’
Aladin knikt.
‘Kom’ gebaart hij en pakt het zwaard weer over en steekt het met een klap in de houten vloer van het podium.
‘Kom, ik ga je een verhaal vertellen’
Hij neemt Vesuvio mee van het podium, en loopt met hem naar de rivier. Daar gaan ze samen zitten. Vesuvio zet zijn helm af.
‘Ik schaam me zo dat ik het niet kan’, zegt hij. ‘Wat moeten de mensen wel niet denken? Dat ik een zwakkeling ben?’
‘De mensen zullen beseffen dat de oorlog in jou voorbij is, Vesuvio. Ik ga je een klein verhaaltje vertellen. Een verhaal van twee broers. En hij vertelt hoe het zevenjarige broertje op een dag zijn arm verloor toen zijn veertienjarige broer oorlogje met hem wilde spelen, met het gestolen gouden zwaard van zijn vader. Hij vertelt op dat voor straf de veertienjarige jongen naar het front gestuurd werd om te vechten. Als God het wilde, zou hij gezond terugkeren. ‘En hij is gezond teruggekeerd.’ besluit Aladin.
Vesuvio heeft ademloos geluisterd naar het verhaal van zijn broer. De tranen springen hem in de ogen.
‘Het wordt tijd dat je de oorlog achter je laat, Vesuvio. Kom, laten we teruggaan en je harnas uitdoen. De mensen wachten op je.’
‘Waarom zou ik mijn harnas af doen? Je weet toch dat er gekken rondlopen die je god weet wat kunnen aandoen?’
‘Vesuvio, jij bent de oudere broer, ik ben de jongere. Jij was het die mijn arm eraf heeft gehakt. Dat besef je nu toch wel?’
Vesuvio begint te huilen. ‘Nee nee nee dat kan niet waar zijn.’ Zijn lichaam begint opnieuw te trillen. Hierop heeft Aladin gewacht. Hij geeft het teken en daar verschijnen zijn veertien hulpen. Ze pakken Vesuvio op en slepen hem mee terug naar het houten podium op het plein.
Een van hen komt met de sleutelbos. Met handige krachtige gebaren opent hij het harnas. De armen, de benen, de buik. Alles komt bloot te liggen. Een bleke witte huid verschijnt. Alle mensen beginnen te klappen en te joelen en als hij helemaal naakt is op zijn onderbroek na, beginnen ze te luidkeels lachen. Nog nooit hebben ze zo’n witte huid gezien. Iedereen werkt op het land of komt in de zon. Vesuvio komt nooit in de zon en is lijkbleek. Hij staat te trillen op zijn benen van alle emotie en houdt zijn handen voor zijn borst. Een van de mannen komt met een emmer water en gooit deze over Vesuvio heen.
‘Zo, dan kan dat oude angstzweet eindelijk weg.’ En hup daar volgt nog een emmer. Alle mannen gooien een emmer water over hem heen. Zijn onderbroek is kletsnat en glijdt van zijn smalle billen. Een van de jongens trekt hem uit.
‘Nee nee nee’ gilt Vesuivio.
‘We hebben allemaal een piemel hoor’, gebaren de veertien mannen en om beurten laten ze hun broek zakken om hun geslacht te laten zien. De een wat groter dan de ander. Het publiek joelt.
‘We zijn allemaal mensen’, verklaart Aladin.
‘Droog hem af en breng hem kleren’, gebaart hij dan en daar komen een prachtige beige fluwelen broek met gouden knopen bij de pijpen en een prachtig wit overhemd met wijde mouwen. Lange witte kousen met zwarte lakschoenen en zijn blonde haar wordt in een prachtig kapsel geknipt. Als Vesuvio klaar is, komen er twee stoelen op het podium.
‘Zo. Nu mag je naar mij kijken’, zegt Aladin en twee vrouwen klimmen op het podium met een emmer water en met zeep. Met doeken wassen ze zijn gezicht tot alle grime er af is en Aladin zijn eigen pure gezicht laat zien.
‘Ik ben je broer, Vesuvio, kijk zo zie ik er uit. Ik ben een mens, net als iedereen. Ik ben niet groter of kleiner ook al heb ik veel geld en ben ik rijk en heb ik veel aanzien.’ Ademloos kijken de mensen toe.
Tranen lopen over hun wangen als de broers elkaar aankijken, met het gezicht zoals ze ooit op aarde kwamen, onschuldig en vrij.
Het is stil geworden op het plein. Hier en daar pinken mensen tranen weg.
‘Lieve mensen, het is tijd dat we Vesuvio vergeven voor zijn daad. Sluit allemaal de ogen en leg je handen op je hart. Open je hart. Open je hart nu. Open je hart en laat de liefde stromen naar Vesuvio.’
Allemaal voegen ze daad bij het woord. Niemand uitgezonderd. Het licht uit hun harten verwarmen het lichaam en de ziel van Vesuvio. Tranen van ontroering rollen over zijn wangen. Dat liefde zo zacht kon voelen! Dit heeft hij nooit geweten. Hij kijkt naar zijn rechter arm, zijn hand en beweegt ze met een sierlijkheid die hij niet kent van zichzelf. Wat is het bijzonder om zonder harnas te leven! En die zon op zijn huid!
De dag erop viert iedereen groot feest en alle mensen zijn nieuwsgierig naar wat Vesuvio nu gaat doen in zijn leven nu hij zijn harnas af heeft. Vesuvio weet het allemaal nog niet. Hij is helemaal overdonderd van wat er gebeurt en laat alles maar een beetje op zich af komen. Het is alsof de wereld er ineens anders uitziet. De mensen en de bomen zijn in een klap kleurrijk geworden. Hij had nooit gedacht dat de wereld zo mooi kon zijn. Voor het eerst in zijn leven beseft hij: de oorlog is voorbij!
Een week later loopt hij met zijn broer over het land langs de rivier. Samen spreken ze over wat er allemaal gebeurd is. ‘Wie wist er eigenlijk allemaal van dat ik jouw arm eraf gehakt had?’ vraagt Vesuvio.
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou ik neem aan dat pa en ma niet tegen iedereen verteld hebben dat ik het was die jouw arm eraf heb gehakt.’
‘Lieve broer, iedereen weet dat jij het was en iedereen heeft het ook altijd geweten. Het is nooit een geheim geweest.’
Vesuvio wordt vuurrood.
‘Dat meen je niet. Je bedoelt dat iedereen wist dat ik…’
‘Ja, dat jij zelf die idioot was die zomaar armen eraf hakte. Je was al die jaren bang voor jezelf, Vesuvio.’
Vesuvio slaat zijn handen voor zijn gezicht.
‘Dat meen je niet. Wat erg. Oh ik schaam me zo! Waarom heeft niemand het me verteld? Iedereen wist het dus? Waarom heeft niemand ooit een poging ondernomen om mij te vertellen hoe het zat?’
‘Oh maar dat hebben zovelen geprobeerd. Maar je wilde nooit luisteren. Als het je niet beviel zette je je helm op en deed je de klep naar beneden. Of je liep weg. Je wilde het niet weten.’
Vesuvio begint nu heel erg te huilen. Hij slaat zijn handen voor zijn gezicht.
‘Ik durf de mensen nooit meer onder ogen te komen’, jammert hij.
‘Dit is wat het is. Wij hebben je allemaal vergeven. De enige die jou nog moet vergeven ben je zelf. Wacht er niet te lang mee. Laat het even bezinken en kom tot jezelf. Zeven dagen moet genoeg zijn en kom dan terug. Je moet de waarheid en de mensen onder ogen zien. Hoe langer je wacht, hoe moeilijker het wordt. Ik laat je nu alleen.’
Dan laat Aladin hem achter.
Wat een levens hebben wij geleid!
And this is where he is right now, Leonie. This is where he is right now, hoor ik mijn gidsen zeggen.
Ik ben flabbergasted!!
Enne… willen jullie allemaal liefde sturen naar mijn vriend als je dit leest? Hij kan het wel gebruiken… 

Babaji en Cleopatra – een liefdessprookje over helende seksualiteit – hoofdstuk 1

Daar waar verleden en toekomst samenvallen in de overgave het nu, mag ik getuige zijn van een bijzonder verhaal over oorlog. De ontmoeting tussen Babaji en Cleopatra… Het begin van dit verhaal, dat nog lang niet af is, ontvouwde zich de afgelopen dagen in de ontmoeting en de genade van Liefde en Helende Seksualiteit.

Alles is donker om haar heen als ze zich ervan bewust wordt dat ze leeft. Er is geen gevoel meer in haar benen, ze kan ze simpelweg niet meer bewegen. Rondom haar aan elkaar geplakte opgezwollen oogleden zoemen vliegen als bijen op honing. Ze is te moe om ze weg te slaan. De zon verwarmt haar koude lichaam. Waar is ze? Hoe is het mogelijk dat ze nog leeft, nadat de soldaten haar als oud vuil hebben achtergelaten? Misbruikt, overweldigd en weggeworpen, er niet meer toe doend. Je mag sterven.

Ze probeert haar vingers te bewegen, haar kleine tengere kindervingers, maar al snel staakt ze haar pogingen. Het had niet mogen gebeuren. Ze is nog maar twaalf.

Ze kreunt vanuit een zinloos protest. Waarom is ze blijven leven? Ze was liever daar gebleven, aan de andere kant. Daar waar het donker en stil was en waar ze kon rusten in de leegte van het niets. Waarom is daar nu dan die zon? Ze voelt de warmte van de stralen op haar huid.

‘Je mag sterven.’ zegt de stem. ‘Maar je mag ook blijven leven. Zeg maar wat je wilt.’ Ze voelt zachte liefdevolle handen die haar benen zachtjes aanraken. Ze krimpt onwillekeurig ineen. ‘Je bent nu veilig. Je leven is heilig en je lichaam is een geschonden tempel. Ik ga je wonden wassen zodat je straks je besluit kunt nemen.’

Een besluit nemen? Wat bedoelt de man? Maar tijd om na te denken heeft ze niet als ze de natte doeken op haar huid voelt. Daar, net boven haar navel. Haar buik doet zeer van de vele schoppen die ze mocht ontvangen. Is het werkelijk voorbij? Ze hoort de man hijgen als hij probeert haar benen opzij te leggen. Ze kan haar benen niet meer bewegen. Alsof ze dood zijn. Was de rest ook maar dood.

Gespetter van water. Hij wast haar. Eerst haar voeten. De aanraking is doeltreffend en vanuit een zekerheid die haar in de war maakt. Alsof ze het waard is om verzorgd te worden. Zij? De harde stemmen van de soldaten zeiden haar hele andere dingen. Langzaam werkt hij naar boven. Dan dept hij heel zachtjes haar ogen met een natte doek. De liefdevolle aandacht waarmee hij haar gezicht aanraak verrast haar. Er glijdt een traan uit haar ooghoek.

‘Mamma?’

‘Het spijt me. Ik ben je moeder niet. Ik ben Babaji. Ik heb je gevonden in de sloot en meegenomen naar mijn hut. Ieder mens heeft recht op een waardig afscheid. Een afscheid van het leven, of een afscheid van de dood. Jij mag straks kiezen. Nu is het te vroeg. Je moet eerst aansterken en op krachten komen.’

Dan begint hij te neuriën. Heel zachtjes. De donkere klanken van zijn warme stem strelen haar zintuigen en zijn vingers beroeren de huid van haar wang. In gedachten sluit ze haar ogen die al zo lang gesloten zijn en dan, met een diepe zucht geeft ze zich over aan zijn liefdevolle aanrakingen.

Het zevende Hemelse Wonder: Wonderen bestaan!

Lieve Goden en Godinnen,

wonderen bestaanWij zijn verheugd het Zevende Hemelse Wonder met jullie te mogen delen, en daar kunnen we simpel over zijn: Wonderen Bestaan!

We weten dat de meeste aardbewoners niet geloven in Wonderen. De meesten van jullie wuiven deze mogelijkheid van creëren weg in hun leven. Het zou te gemakkelijk zijn. Wat als alles zomaar zou lukken? Wat als alles zomaar mogelijk is? Wat als er niets is dat ons zou belemmeren om te mogen ontvangen wat we werkelijk willen uit het diepst van ons hart en ons wezen?

Durf te springen

Om open te staan voor wonderen, is een actieve daad nodig, namelijk de bereidheid om in het diepe te durven springen. Het diepe van de oneindigheid, van de grenzeloosheid. Het diepe van die wereld waar alles mogelijk is, een oneindigheid van grootse mogelijkheden.

Laat alles los wat je ooit geleerd hebt

Veel aardbewoners zitten vast in oude ideeën en dogma’s. Alles wat ze door de eeuwen heen geleerd hebben en overgenomen hebben van hun ouders en voorouders, zit diep voorgeprogrammeerd in het DNA van de cellen van hun lichaam, de blauwdruk van hun bewustzijn. Maar wat als we jullie aanspreken op jullie Goddelijkheid, op jullie innerlijke bron van liefde, vriendschap en vreugde? Wat als we jullie aanspreken op jullie geboorterecht? Het is jullie geboorterecht om de hemel op aarde te kunnen leven. Om tot in het diepst van jullie wezen te voelen dat Licht is waar jullie vandaan komen en dat Liefde in jullie hart de verbindende olie in jullie aardse bestaan is.

Het denken voorbij

Jullie zijn het vergeten, omdat jullie denkvermogen op hol is geslagen, omdat jullie creatiedrift vanuit de eigen afgescheidenheid een eigen leven is gaan leiden. Dat heeft geleid tot vele innerlijke oorlogen waarin haat, wraak, jaloezie, hebzucht en machtsmisbruik de drijfveren waren en wat zich manifesteerde in oorlogen in de buitenwereld. Nu is de tijd gekomen dat jullie de andere kant van de medaille van het leven weer leren kennen.

Ontdek al je kleuren!

kleurenDaarvoor moeten jullie opnieuw ontdekken dat de aarde niet plat is, maar rond is. Daarmee bedoel ik dat het leven niet zwart of wit is, maar een aaneenschakeling van een diversiteit aan kleuren. Via de ogen en het hart van de ander, kunnen jullie jezelf zien, kunnen jullie andere kleuren zien en hierdoor jullie eigen eindeloze kleuring ontdekken. Om zo via de ander weer bij jezelf thuis te komen, in je hart, daar waar alle intelligentie van het leven in Hemel op Aarde ligt opgesloten.

Om de Hemel in jezelf weer te openen, is bereidheid nodig. Bereidheid om te springen in het diepe en om het oude achter je te laten. Bereidheid om te geloven in een Wonder, want lieve Goden en Godinnen: Wonderen bestaan!

Omarm je innerlijke oorlog met liefde

Durf jij werkelijk los te laten en te vertrouwen op dat wat goed is, op dat stuk in jou dat goed is? Durf jij plaats te nemen in je hart om je zo te verbinden met de wereld om je heen? Durf jij de 17 innerlijke oorlogen in jezelf, die zich manifesteren via het contact met de ander, los te laten en uit te reiken naar Ease, Grace, Love, Joy en Happiness?

Onzichtbare hulp

springenWe nodige jullie uit om te springen en het oude los te laten. Focus op het wonder dat jij zou willen laten voltrekken in jouw leven. Sta open om te ontvangen. Weet dat er oneindig veel hulp aanwezig is om jouw wensen te laten uitkomen. Onzichtbare hulp die er altijd is. Open de poort van je hart en durf te vertrouwen. De hemel is zoveel dichterbij dan je denkt. In je hart huist je Goddelijke creatie. Stap binnen in jouw hart en ontdek een nieuwe wereld! Een wereld waar liefde regeert. Over jou, jouw eigen gecreëerde wereld en van waaruit jij kunt regeren jouw wereld.

Het speelse kind in jou wil bevrijd worden!

Ontdek het Goddelijke, speelse innerlijke kind in jezelf en sta het toe om aan het stuur te staan van jouw wereld. Voed de wereld om je heen met dat wat jij zou willen zijn. Oftewel: Be the person YOU want to meet en laat de wonderen naar je toe komen!

Aisha.
Vandaag lees ik: Een wonder kan ontstaan als je het heden het verleden loslaat zodat je de toekomst bevrijdt. Het betekent dat je van gedachte durft te veranderen en niet al je ideeën uit het verleden in het Nu projecteert. Als je bereid bent om volledig los te laten, kunnen wonderen ontstaan. Een wonder doorbreekt een diep patroon en gaat altijd gepaard met een plotselinge omslag van horizontale naar verticale tijdwaarneming. Deze omslag voert een tijdsinterval in waardoor je verderop in de tijd kunt uitkomen dan waar je anders zou zijn geweest. Ik besef in heel mijn wezen dat dit klopt.
En jij? Geloof jij in wonderen?